Russisch is geen nieuwe taal. Het was vervalst. Drie verschillende historische momenten hebben de huidige taal gevormd. De eerste is religie. Het volgende is Empire. Tenslotte literatuur.
Slavische stichting
De wortels gaan terug tot de 9e eeuw. St. Cyrillus en St. Methodius kwamen hier als christelijke missionarissen. Ze gebruiken geen Latijn. Ze spraken Oudkerkslavisch. Deze keuze is belangrijk. Het verankert de Slavische volkeren in een gemeenschappelijke teksttraditie. Het vormde de literaire ruggengraat van de vroege Oost-Slavische dialecten. Zonder deze basis zouden talen al veel eerder in volledig afzonderlijke entiteiten zijn opgesplitst.
Verandering in het Westen
Snel vooruit naar 1682. Peter de Grote bestijgt de troon. Hij wil dat Rusland gaat concurreren met Europa. Hij koopt niet alleen schepen. Hij herschreef de woordenschat. Zijn pro-westerse beleid opende de deur voor het Nederlands, Duits en Frans. De toestroom van deze talen bracht nieuwe concepten met zich mee. Ze dwongen het Russisch zijn lexicale reikwijdte uit te breiden. Deze taal is niet langer puur religieus en traditioneel. Het is administratief en modern geworden.
Het compromis van Poesjkin
In de 19e eeuw werd het debat heviger. Moet de Russische literatuur vasthouden aan oude vormen of straattaal overnemen? Dit is een verwarrende redenering. Alexander Poesjkin heeft dit probleem opgelost. Hij koos geen partij. Hij mengde ze door elkaar. Hij mengde spreektaal en oude Slavische uitdrukkingen. Het resultaat is een literaire standaard die levend en toch waardig aanvoelde.
Poesjkin’s hybride maakte een einde aan het debat over welke Russische taal het beste is voor literaire doeleinden.
Zijn werk bewijst dat hoge kunst kan spreken als echte mensen. Deze beslissing creëerde een model voor de moderne Russische literatuur. Dit is de basis voor heldere en expressieve communicatie.
















