De vraag van een lezer over de zichtbaarheid van dinosauriërs op 66 miljoen lichtjaar afstand onthult verrassende implicaties voor toekomstige astronomische projecten. Het gedachte-experiment is niet alleen bizar: het benadrukt de extreme uitdagingen van het oplossen van objecten op kosmische afstanden, terwijl het tegelijkertijd het potentieel voor eventuele observatie van exoplaneten onderstreept.
Het probleem van afstand en tijd
Als buitenaardse wezens zich op een afstand van 66 miljoen lichtjaar van de aarde zouden bevinden, zouden ze onze planeet observeren zoals deze 66 miljoen jaar geleden was. De inslag van de asteroïde Chicxulub, die de niet-aviaire dinosaurussen wegvaagde, zou hen nu net als licht bereiken. De vraag is niet of ze dinosauriërs konden zien, maar of hun technologie iets zo ver weg en vaags kon oplossen.
De schijnbare grootte berekenen
Om de benodigde telescoopgrootte te bepalen, moeten we eerst de schijnbare grootte van een Tyrannosaurus rex van 10 meter op die afstand berekenen. Met behulp van de kleine hoekbenadering zou de dinosaurus verschijnen op een hoek van ongeveer 10-21 graden – een onbegrijpelijk klein deel van een graad. Dit betekent dat het oplossen ervan uiterste precisie vereist.
Het probleem van de telescoopschaal
Voor het oplossen van zo’n klein object is een telescoopspiegel nodig met een diameter van grofweg 3,2 x 1016 meter, oftewel 3,4 lichtjaar in doorsnede. Zo’n spiegel zou hele sterrenstelsels in de schaduw stellen en een massa van meer dan 1030 ton vereisen – meer dan 100 miljoen keer de massa van de aarde. Het bouwen van zo’n telescoop is niet alleen moeilijk; het is fysiek onwaarschijnlijk met de huidige materialen en technologie.
Interferometrie als potentiële oplossing
Een astronomische interferometer, die gebruik maakt van meerdere kleinere telescopen verspreid over grote afstanden, zou theoretisch de resolutie van deze onmogelijke spiegel kunnen nabootsen. Toch zouden de materiële eisen absurd blijven: biljoenen tonnen spiegelmassa.
Implicaties in de praktijk voor observatie van exoplaneten
Hoewel het observeren van lang geleden gestorven dinosauriërs onpraktisch is, blijft de kernuitdaging relevant. Astronomen streven ernaar telescopen te bouwen die oppervlaktekenmerken van exoplaneten, verre werelden die rond andere sterren draaien, kunnen analyseren. Om dit te bereiken, zelfs op een meer realistische 10 lichtjaar, is een array van honderden kilometers nodig. Hoewel deze prestatie onze huidige mogelijkheden te boven gaat, ligt deze prestatie de komende decennia binnen handbereik.
Het zien van continenten op een exoplaneet is geen sciencefiction; het is een kwestie van techniek en toewijding. De principes zijn duidelijk en de menselijke denkkracht bestaat.
De vraag over dinosaurussen is niet alleen een gedachteoefening. Het herinnert ons eraan dat het universum extreme maatregelen vereist om zijn geheimen te onthullen, maar die maatregelen liggen niet altijd buiten ons bereik.
